1   Inleiding

Het onderwijs dat in onze stedelijke scholen wordt aangeboden, past in het kader van een pedagogisch project, vastgelegd en goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 05.03.1996.

Dit pedagogisch project bepaalt de aard en het karakter van het onderwijsaanbod binnen de stedelijke scholen.

Van de leerkrachten wordt geëist dat ze volgens de richtlijnen van dit pedagogisch project onderwijs en opvoeding verschaffen.

Alle andere participanten worden verondersteld de opties van dit pedagogisch project te onderschrijven.

Levensbeschouwelijke en maatschappelijke uitgangspunten

Onze stedelijk scholen houden er rekening mee dat de kinderen opgroeien in een multiculturele samenleving.

Het onderwijs op onze scholen draagt bij tot de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden, zoals die leven in de Belgische samenleving en met onderkenning van de ver­scheidenheid van die waarden.  Ons onderwijs wordt verstrekt met eerbiediging van ieders godsdienst of levens­beschouwing.

Onze scholen houden er rekening mee dat de kinderen opgroeien in een snel veranderende wereld.

Visie op onderwijs en opvoeding

Het onderwijs is zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelings­proces kunnen doorlopen.  Ons onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

Ons onderwijs richt zich op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling van kinderen, op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

Ons onderwijs is ook gericht op het realiseren van de eindtermen en het nastreven van de ontwikkelingsdoelen.  Daarom hebben we er aandacht voor dat het bijdraagt tot de ontwikkeling van:

– een positief zelfbeeld,

– gemotiveerd en zelfgestuurd leren,

– zelf initiatief kunnen nemen,

– communicatie en kunnen samenwerken,

– zelfstandigheid,

– creatief en probleemoplossend omgaan met de omringende wereld.

Algemene doelstellingen

Ervoor zorgen dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen, betekent dat we:

* Instaan voor de continuïteit in de begeleiding van de kinderen:

–        we streven dezelfde algemene doelstellingen na.

–        de kinderen weten waar ze aan toe zijn; er bestaan duidelijke afspraken.

–        de leerinhouden sluiten van klas tot klas goed op elkaar aan.

–        werkwijzen en methodes sluiten eveneens op elkaar aan.

–        er zijn afspraken over het observeren, waarderen, beoordelen en rapporteren van de prestaties van de kinderen.

–        er is onderling overleg over de vorderingen en de resultaten van de kinderen.

–        er wordt gestreefd naar een soepele overgang tussen de klassen (ook van kleuter- naar lager onderwijs en van lager naar secundair  onderwijs).

 * Opteren voor een harmonische en totale persoonsontwikkeling:

–        we hebben aandacht voor alle aspecten van de persoonlijkheid.

–        de diverse ontwikkelingsaspecten zijn evenwichtig verdeeld over vakken en lessenroosters.

–         we zoeken naar werk- en oefenvormen die kansen bieden tot sociale en emotionele ontwikkeling.

–        de kinderen worden  gestimuleerd tot creatief denken.

–         er is niet alleen aandacht voor de resultaten op allerlei toetsen, maar ook voor gegevens over de sociale, emotionele en motorische ontwikkeling.

–         tijdens creatieve activiteiten krijgen kinderen kansen om vrij te experimenteren, technieken te verwerven en deze toe te passen.

–         creatieve activiteiten zijn geïntegreerd in verschillende momenten van het klasgebeuren.

–         aan de kinderen wordt de kans geboden eigen initiatief te nemen en zelfstandig   problemen op te lossen.

–         de samenwerking tussen leerkrachten en kinderen en tussen kinderen onderling verloopt in een positieve en vriendelijke sfeer..

–         positief gedrag van de kinderen wordt gestimuleerd en bevestigd.

–         negatieve leef- en werkhoudingen worden op een pedagogisch verantwoorde manier gesanctioneerd en bijgestuurd.

 * Werken aan socialisatie

–         de kinderen krijgen inspraak en verantwoordelijkheid binnen het klas- en schoolgebeuren

–         respect en zorg voor de ander is een fundamenteel gegeven

–         er is aandacht voor de mensenrechten

 * Rekening houden met verschillen tussen kinderen:

–         er wordt overleg gepleegd tussen leerkrachten, met ouders en met C.L.B. om de kinderen beter te leren kennen.

–         er wordt ingespeeld op eigen ervaringen van kinderen, hun interesses, hun werk- en leertempo.

–         de verschillen tussen kinderen in geaardheid, capaciteiten, probleemaanpak, afkomst en cultuur, worden gewaardeerd en aangewend.

–        de leerinhouden worden aangepast aan de mogelijkheden van de kinderen.

–         bij de keuze van didactische werkvormen proberen de leerkrachten zoveel mogelijk variatie in te bouwen.

–        we zorgen voor zoveel mogelijk differentiatie binnen klasverband.

–         evaluatie en rapportering worden aangewend om de onderwijsleersituatie voor elk kind te verbeteren.

–        de leerkrachten doen geregeld aan foutenanalyse en remediëring.

* Het onderwijs wereldgeoriënteerd organiseren:

–         de ontwikkelingen in de maatschappij (multi-culturele samenleving, informatica, vrijetijdsbesteding, vredesopvoeding,…) en de actualiteit krijgen gestalte in ons onderwijs.

–         er is aandacht voor de integratie van ons land binnen de Europese gemeenschap.

–         werk- en oefenvormen worden zo opgebouwd dat kinderen voortdurend bezig zijn met waarnemen, exploreren en zingeven.

–         ervaringen van kinderen worden als uitgangspunt genomen voor het leerproces.

–        er zijn voldoende voorzieningen in onze scholen aanwezig en deze worden adequaat aangewend: documentatiemateriaal, audio-visuele media,…

–        er is aandacht voor extra-muros-activiteiten zoals leerwandelingen, excursies,…

–        de verschillende ruimten van schoolgebouw en omgeving bieden voldoende mogelijkheden en stralen een uitnodigende sfeer uit.

* Systematisch werken aan onderwijsverbetering:

–        in vergaderingen wordt naast administratieve regelingen voldoende aandacht besteed aan de onderwijsdoelen, de onderwijsinhoud en de pedagogisch-didactische vormgeving ervan.

        het zelf nemen van initiatieven wordt sterk aangemoedigd.

–        de leerkrachten weten onderling hoe ze over bepaalde schoolzaken denken.

–        de leerkrachten worden gestimuleerd om hun vakbekwaamheid te actualiseren door middel van nascholing.

–        wie drie jaar of langer volledige loopbaanonderbreking nam en terug in dienst treedt, is verplicht gedurende de eerste twee jaar alle navormingsactiviteiten opgelegd door de inrichtende macht, in

overleg met de directie, bij te wonen.

–        de leerkrachten vormen een team dat zich gezamenlijk verantwoordelijk voelt voor de taken die moeten uitgevoerd worden.

* Onze schoolgemeenschap geleidelijk uitbouwen:

–        in onze scholen wordt een beroep gedaan op personen en instanties die een bijdrage kunnen leveren tot de schoolverbetering.

–        de verschillende raden, comités, werkgroepen,… vormen een goed functionerend geheel binnen de schoolgemeenschap.

–        er wordt gezorgd voor een goede informatiedoorstroming tussen de verschillende participanten van de schoolgemeenschap.

–        bij het functioneel aanwenden van het lestijdenpakket primeert het pedagogisch welzijn van de kinderen.

Onderwijsaanbod  –  Leerplannen

De doelen uit het pedagogisch project worden geconcretiseerd, via het gebruik van de OVSG-leerplannen, in de leergebieden :

–        lichamelijke opvoeding;

–        muzische vorming;

–        taal (ook tweede taal);

–        wereldoriëntatie;

–        wiskundige initiatie en wiskunde.

en voor het lager onderwijs in de leergebiedoverschrijdende thema’s:

–        leren leren

–        sociale vaardigheden.

–        ICT

Daarnaast omvat het onderwijsaanbod voor het lager onderwijs twee lestij­den onder­wijs in één van de er­ken­de godsdiensten of in de niet-con­fessionele zeden­leer.

Schoolstructuur

De directie bepaalt autonoom de indeling in groepen.

De kleuters worden ingedeeld in groe­pen op basis van leeftijd en ont­wikke­lingsniveau. Bij een sterke aan­groei van het aantal kleuters in de loop van het schooljaar kunnen de kleuters in een andere groep worden ingedeeld. Nieuwe groepsindelingen in de loop van het schooljaar gaan steeds in na een va­kantieperi­ode. De lagere schoolkinderen worden inge­deeld in groepen op basis van de leef­tijd.

Het kind behoort tot een groep als het meer dan de helft van de activiteiten volgt in die groep.

Voor bepaalde activiteiten kunnen de kinderen in één of meer andere groe­pen worden ingedeeld.

Algemene bepalingen

1     Inschrijving van de leerling       

Je kunt je kind inschrijven op onze school:

–        op de opendeurdagen;

–        op de kennismakingsdag;

–        op de schooldagen tussen 8 u.30 en 11 u.30 en 13u.30 en 15u.30

–        op werkdagen van 1 tot 6 juli en vanaf de eerste werkdag na 22 augustus tussen 9 u. en 12 u. in de school;

–        na afspraak met de directeur of  één van de leraren.

De inschrijving gebeurt aan de hand van een officieel   document zoals:-  Een uittreksel uit de geboorteakte-  het   trouwboekje van de ouders-  de   identiteits- en/of sis-kaart van   het kind-  het   bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister- de   reispas voor vreemdelingenDe ouders ondertekenen een schriftelijke verklaring   waarin ze bevestigen dat hun kind niet in een andere school is ingeschreven. Bij iedere inschrijving ,alsook bij iedere wijziging  van het schoolreglement ontvangen de ouders het schoolreglement ( of de   wijzigingen aan het schoolreglement ) schriftelijk of via elektronische   drager.Bij de eerste inschrijving ontvangen de ouders deze   brochure (informatie en school­reglement) en volgende formulieren:-  goedkeuring   van het schoolreglement en het pedagogisch project.-  keuzeformulier   levensbeschouwelijke vakken voor leerplichtige leerlingen.-  verklaring:   inschrijving van de leerling in één school

 

Voorafgaand aan een eerste inschrijving stelt de   inrichtende macht de ouders en de leerling in kennis van het pedagogisch   project en het schoolreglement van de school. Het pedagogisch project en het   schoolreglement eerbiedigen de internationaal rechtelijke en grondwettelijke   beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.   Een inrichtende macht weigert de inschrijving van een onderwijszoekende die   niet voldoet aan de bij of krachtens wet of decreet bepaalde toelatingsvoorwaarden.Een inrichtende macht kan :-elke bijkomende inschrijving weigeren wanneer deze   volgens de inrichtende macht omwille van materiële omstandigheden de   veiligheid van de leerlingen in het gedrang brengt;-de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken   leerling het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar definitief werd   uitgesloten.Een inrichtende macht van een school voor gewoon   onderwijs kan bij inschrijving elke bijkomende leerling waarvan de thuistaal   niet of – afhankelijk van het geval – wél het Nederlands is, doorverwijzen om   de vooropgestelde verhouding tussen beide leerlingengroepen te waarborgen of weigeren op basis van het overschrijden van de draagkracht van de school.
 

2     Godsdienstkeuze – zedenleer – vrijstelling

De regering legt het model van ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van een vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lestijden waarvoor men is vrijgesteld moeten worden ingevuld.

Bij elke inschrijving van hun leerplichtig kind in het   lager onderwijs en voor sommige leerplichtige kleuters (cf. schoolreglement)   beslissen de ouders, bij ondertekende verklaring:1.     dat hun kind een cursus in één der erkende godsdiensten volgtof

2.    dat hun kind een cursus niet-confessionele zedenleer volgt.

Indien de ouders deze keuze willen wijzigen voor het volgende schooljaar, vragen ze een formulier   bij de directeur en bezorgen hem dit uiterlijk voor 30 juni van het lopende schooljaar.

Ouders die op basis van hun religieuze of morele   overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden   cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer kunnen op aanvraag bij  de directeur  een vrijstelling bekomen. De school waakt erover dat de vrijgestelde leerlingen,  de vrijgekomen lestijden gebruiken voor de studie van hun eigen religie,  filosofie of moraal.

 3     Leerplicht en toelatingsvoorwaarden

 

Kleuteronderwijs Kleuters kunnen pas worden ingeschreven in de school vanaf de datum dat ze de leeftijd van twee jaar en zes maanden bereiken. Als ze jonger zijn dan drie jaar, mogen ze pas een   eerste keer naar school komen op één van de wettelijk opgelegde instapdata,   namelijk:- de eerste schooldag na de zomervakantie-de eerste schooldag na de herfstvakantie-de eerste schooldag na de kerstvakantie-op 1 februari-de eerste schooldag na de krokusvakantie-de eerste schooldag na de paasvakantie-de eerste schooldag na de hemelvaartvakantie.
Lager   onderwijs Een kind is leerplichtig en wordt toegelaten tot het   lager onderwijs op één sep­tem­ber van het kalen­der­jaar waarin het de leef­tijd   van zes jaar be­reikt.  Ouders zijn   verplicht ervoor te zorgen dat hun leerplichtig kind daadwerkelijk onder­wijs   volgt.Het lager onderwijs duurt in principe zes jaar.
 Afwijkingen –  Ouders   kunnen hun kind één jaar langer in het kleuter­onderwijs houden of één jaar vroeger het lager onder­wijs laten beginnen. Deze beslis­sing kunnen de   ouders pas ne­men nadat ze het ad­vies van zo­wel de klas­sen­raad als het CLB hebben ingewon­nen. Deze af­wij­king   blijft be­perkt tot één jaar.Dit zijn leerplichtige leerlingen. De ouders dienen dan   ook alle wettelijke verplichtingen daaromtrent te volgen. – Ouders   kunnen hun kind een zevende of achtste jaar in het lager onder­wijs laten   blijven. Voor de toelating tot het achtste jaar is een gun­stig advies van de   klassenraad en een advies van het CLB   nood­zakelijk – Ouders   van een leerplichtig kind van vreemde nationaliteit moeten ervoor zor­gen hun   kind daadwerkelijk onderwijs volgt vanaf de zes­tigste dag na de in­schrijving   in het vreemdelingen- of be­volkingsre­gister.
 

 4     Schoolveranderen

Schoolverandering kan steeds in de loop van het   schooljaar.  Elke schoolverandering   tussen de eerste schooldag van september en de laatste schooldag van juni   wordt geregistreerd in Discimus door de nieuwe school.  Voor   een leerling uit het lager onderwijs zal de oude school het aantal dagen   ongewettigde afwezigheid meedelen aan de nieuwe school. Schoolverandering van het gewoon naar het buitengewoon   basisonderwijs kan onmid­dellijk zodra de ouders over een   inschrijvingsverslag beschik­ken.  De   nieuwe school volgt dezelfde procedure als hierboven.

Bij de eerste inschrijving van het kind melden de ouders aan de directeur of zij al dan niet het ouderlijk gezag over het kind gezamenlijk uitoefenen. Indien de
dire­cteur een vermoe­den heeft dat de ouders het ouderlijk gezag niet gezamenlijk uitoefenen of dat één van de ouders handelt zonder de toestemming van de ande­re ouder kan hij nadere infor­matie en even­tueel een onder­te­ken­de ver­kla­ring vragen waarin de ouders de juiste infor­matie inzake uitoefening van het ouder­lijk gezag ver­schaf­fen.

De directeur geeft in dergelijke gevallen een overzicht van de respectievelijke be­voegd­he­den aan beide ouders.

Het ouderlijk gezag geldt enkel ten aanzien van minderjarigen die de Belgische nationaliteit hebben. Ontvoogde minderjarigen zijn niet aan het ouderlijk gezag onderworpen. Voor minderjarige leerlingen van vreemde nationaliteit geldt het eigen nationaal stelsel van personen en familierecht.

–  Samenlevende ouders

Elke ouder die alleen een handeling stelt die verband houdt met het ouderlijk gezag wordt geacht te handelen met instemming van de andere ouder.

Dit geldt zowel voor gehuwde samenlevende ouders als voor niet gehuwde samenlevende ouders.

Heeft de directeur of een personeelslid van de school het vermoeden dat die stilzwijgende toestemming ontbreekt dan zal hij zijn medewerking weigeren tot er toestemming is van de tweede ouder.

–   Niet-samenlevende ouders

Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen (co-ouderschapsregeling). Ook hier geldt het vermoeden van instemming van de afwezige ouder, wanneer de andere ouder alleen een rechtshandeling betreffende het kind stelt. Heeft de directeur of een personeelslid van de school het vermoeden dat die stilzwijgende toestemming ontbreekt dan zal hij zijn medewerking weigeren tot er toestemming is van de tweede ouder.

–  In afwijking van co-ouderschapsregeling kan de bevoegde rechter het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders. Hij kan ook een tussenoplossing uitwerken waarbij voor bepaalde beslissingen met betrekking tot de opvoeding van het kind de instemming van beide ouders vereist is terwijl voor het overige één ouder alleen verantwoordelijk is. De school zal op voorlegging van een dubbel van de rechter de regeling volgen.

Binnen een exclusief ouderlijk gezag, behoudt de ouder die niet het ouderlijk gezag  uitoefent het recht om toezicht uit te oefenen op de opvoeding. Dit houdt in dat hij op de hoogte wordt gehouden van de schoolresultaten en schoolverrichtingen. Het geeft evenwel geen beslissingsrecht in verband met de opvoeding.

De regeling voor niet-samenlevende ouders is van toepassing op:

–          feitelijk gescheiden (echt)paren;

–          uit de echt gescheiden ouders;

–          ouders die vroeger samenleefden;

–          ouders die nooit hebben samengeleefd.

Ontzetting uit het ouderlijk gezag.

Door een rechterlijke beslissing kan een ouder worden ontzet uit het ouderlijk gezag. Deze  ouder  heeft geen beslissingsrecht in verband met de opvoeding en evenmin een recht op   informatie. De school zal de regeling volgen na voorlegging van een dubbel van hetvonnis waaruit de ontzetting blijkt.

De directeur moet de regelgeving inzake ouderlijk gezag bij alle beslissingen in verband met de opvoeding van de leerlingen naleven o.m.

–          bij de inschrijving van de leerlingen;

–          bij de keuze van een levensbeschouwelijk vak of de vrijstelling ervan;

–          bij orde- en tuchtmaatregelen;

–          keuzes i.v.m. de schoolloopbaan van het kind (bv. zittenblijven of niet).

–          bij de schoolverrichtingen in het algemeen bv. bi(j informatie via nieuwsbrief, bij uitnodiging oudercontacten, bij bezorgen van  rapporten,….)

Bij inschrijving van een kind van niet-samenlevende ouders of bij melding van niet meer samenwonen van de ouders wordt afgesproken welke ouder de informatie meekrijgt via het kind en welk ouder de informatie ontvangt via de post. Alleen ouders die ontzet zijn uit de ouderlijke macht ontvangen geen informatie.

[/tabs]